De gemeente Twenterand stelde in april 2024 een nota sportaccommodatiebeleid vast voor de periode tot 2032, onder de titel De kracht van ruimte voor Sport en Bewegen (Gemeente Twenterand, 2024). Weert werkt sinds 2021 met De Tweede Helft, een nota die tot 2030 loopt (Gemeente Weert, 2021). Zulke documenten liggen in tientallen gemeenten op tafel. De vraag is wat ze in de praktijk sturen.
Wat een sportaccommodatiebeleid vastlegt
Een sportaccommodatiebeleid legt de koers voor jaren vast, meestal gekoppeld aan een bredere sport- en beweegvisie of een lokaal sportakkoord. Looptijden van acht tot tien jaar zijn gebruikelijk. In zo'n nota staan uitgangspunten over spreiding en kwaliteit van accommodaties, over tarieven, verduurzaming, eigendom en beheer, en over de vraag wanneer een vereniging volgens de planningsnorm recht heeft op uitbreiding.
Dat is precies het instrument dat nodig is om sportparken niet per incident te ontwikkelen. Op papier klopt het.
Waar het document ophoudt
Een gemeentebreed kader zegt zelden wat er op deze locatie moet gebeuren, met deze verenigingen en dit gebruik. Het beschrijft wanneer uitbreiding gerechtvaardigd is, niet of uitbreiding hier het juiste antwoord is. Het beschrijft tariefuitgangspunten, niet wat een tariefwijziging doet met de exploitatie van dit specifieke sportpark. En het beschrijft ambities rond gedeeld gebruik, niet wie op dit park de sleutel beheert.
Daar komt bij dat een nota met een looptijd tot 2032 is geschreven vanuit de situatie van het jaar van vaststelling. Ledenaantallen, bestuurskracht en gebruikspatronen bewegen sneller dan een beleidscyclus. Het kader veroudert niet als kader, maar wel als beschrijving van de werkelijkheid op een specifieke sportlocatie.
Het patroon achter deze vraag
Wij komen op sportparken waar het beleid netjes is vastgesteld en waar niemand kan uitleggen wat dat voor deze locatie betekent. De nota wordt aangehaald in een raadsvoorstel, maar de vertaalslag naar een concrete keuze is nooit gemaakt. Dat is zelden iemands fout. Een beleidsnota wordt geschreven door een beleidsafdeling en vastgesteld door de raad, terwijl de uitvoering per park bij beheer, vastgoed of een sportbedrijf ligt. Er is geen moment in het proces waarop iemand de opdracht krijgt om die twee lagen aan elkaar te knopen.
Wij maken die vertaalslag wel: van het gemeentebrede kader naar een ontwikkelrichting per locatie, met de gegevens over gebruik, bezetting en exploitatie van dat ene park ernaast. Dat levert een sportparkvisie op die aantoonbaar binnen het vastgestelde beleid past, of een gericht haalbaarheidsonderzoek als blijkt dat beleid en praktijk niet op elkaar aansluiten.
Een sportaccommodatiebeleid is daarmee niet het eindpunt van een besluit, maar het beginpunt. Het kader komt uit de nota, de opgave komt van de locatie. Heb je als gemeente vastgesteld beleid dat nog vertaald moet worden naar keuzes voor een concreet sportpark? Wij van Sportgrond beginnen daarbij met de gegevens van die ene locatie, niet met het herhalen van het gemeentebrede uitgangspunt.
Waarom losse cijfers tot verkeerde investeringsbeslissingen leiden
