Twee clubs die allebei net te weinig kinderen hebben voor een eigen jeugdteam, laten die teams samen spelen. Geen fusie, geen bestuurlijk besluit, gewoon een praktische oplossing voor een concreet probleem. Zo begint het bijna altijd, en zo blijft het vaak jarenlang.
Het patroon achter dat ene gedeelde team
De volgorde is opvallend constant. Eerst samenwerking op het niveau waar de nood het hoogst is, meestal de jeugd of een damesteam. Daarna een periode waarin dat gewoon wordt en niemand er nog bij stilstaat. Pas veel later stelt iemand de vraag hardop: waarom doen we dit eigenlijk niet helemaal samen?
Landelijke cijfers bevestigen dat clubs verdwijnen, al zeggen ze niets over een specifiek sportpark. Nederland telde in 2000 ongeveer 28.000 sportverenigingen en in 2023 bijna 26.000, een afname van ongeveer 7 procent (Mulier Instituut, 2024). Bij veldvoetbal was die afname 15 procent (Mulier Instituut, 2024). Uit cijfers van de Kamer van Koophandel bleek eerder dat het aantal amateurvoetbalverenigingen in vijf jaar tijd terugliep van 3.235 naar 2.915, terwijl het totale ledenaantal gelijk bleef, en dat de meeste clubs verdwenen door een fusie (Kamer van Koophandel, 2021).
Dat laatste is de kern: het gaat niet om minder sporters, maar om minder rechtspersonen. En achter elke fusie zit een sportpark waar iets moet gebeuren.
Waarom dit signaal vanuit het sportpark wordt gemist
Gedeeld gebruik van jeugdteams wordt gezien als een afspraak tussen twee verenigingen, iets waar een gemeente of parkbeheerder buiten staat. Terwijl dat stille samenwerkingsstadium jaren kan duren, gebeurt er aan de kant van het park niets. Tot een van beide clubs aangeeft niet meer zelfstandig verder te kunnen.
Op dat late moment is de ruimte om mee te denken over ontwikkelrichting, of over wat er met een vrijkomende locatie gebeurt, al klein geworden. De beslissing ligt dan grotendeels vast en het sportpark volgt alleen nog.
Waarom niemand dit signaal oppakt
Wij komen op sportparken waar de gemeente pas hoort van een fusie als het besluit in de ledenvergadering al is genomen, terwijl de samenwerking op jeugdniveau daar al vijf jaar zichtbaar was voor iedereen die er kwam. Dat is zelden iemands fout. Er bestaat geen moment waarop een vereniging verplicht is dit te melden, en er is geen ambtenaar wiens taak het is om te registreren welke clubs teams delen; het signaal is publiek zichtbaar en tegelijk van niemand.
Wij brengen daarom bij de start van een traject in kaart welke verenigingen op een park al feitelijk samenwerken, op welk niveau en sinds wanneer. Niet om op een fusie aan te sturen, want dat is aan de verenigingen zelf, maar om te weten of het huidige park zo'n stap ruimtelijk zou dragen en wie het proces begeleidt zodra de clubs eraan toe zijn.
Een sportpark dat weet welke clubs al samenwerken, heeft jaren voorsprong op een sportpark dat het pas hoort bij de aankondiging. Herken je dit patroon ergens op een van je sportparken? Wij van Sportgrond denken graag mee, ook als het nog bij dat ene gedeelde team zit.
Een fusie tussen sportverenigingen loopt zelden vast op het veld
