Voor een gemeente met vier verenigingen op een sportpark klinkt een omnivereniging aantrekkelijk. Vier huurovereenkomsten worden er één. Vier besturen worden één aanspreekpunt. Vier keer onderhandelen over dezelfde velden wordt een gesprek.
Dat klopt allemaal. Alleen verandert er aan de andere kant van de streep vrijwel niets, en juist daar ontstaan de problemen.
Wat een omnivereniging feitelijk verandert
De structuur is bekend van SV Kampong in Utrecht, de grootste omnivereniging van Nederland. Zes sportverenigingen, met hockey als bekendste, daarnaast voetbal, tennis, cricket, squash en jeu-de-boules, samen ruim 6.500 leden. Op het complex liggen negen hockeyvelden, zes tennisbanen, zeven voetbalvelden, een cricketveld en jeu-de-boulesbanen. Er is een federatiebestuur waarin elke vereniging is vertegenwoordigd, met een federatiemanager die zich bezighoudt met, in zijn eigen woorden, de hardware: de panden en het terrein (Duurzame Sportsector, 2021).
Twee kanttekeningen bij dat voorbeeld. De cijfers zijn van 2021 en kunnen inmiddels afwijken. En het interview waar ze uit komen ging over duurzaamheid, niet over de verenigingsstructuur; het is een gesprek met de vereniging zelf, geen onafhankelijk onderzoek naar hoe omniverenigingen functioneren.
Wat het voorbeeld wel laat zien, is dat er een laag ontstaat die er eerder niet was. Iemand die het terrein als geheel als taak heeft, in dienst van een bestuur waarin alle sporten zitten. Dat is precies wat op één park met vier losse clubs ontbreekt.
Wat er niet verandert
De velden. De piekmomenten. Het aantal kleedkamers op zaterdagochtend. De onderhoudsbehoefte van een natuurgrasveld dat door twee sporten wordt gebruikt.
Wie op dinsdagavond om zeven uur ruimte tekortkomt, komt die daarna nog steeds tekort. Het verschil is dat de verdeelvraag niet meer tussen partijen speelt maar binnen een vereniging. Dat is bestuurlijk eenvoudiger en emotioneel vaak niet, want de hockeyafdeling die uren inlevert voor de voetbalafdeling doet dat nu binnen de club waar zij zelf bij hoort.
Voor een gemeente betekent dit iets nuchters: een omnivereniging lost een organisatievraagstuk op, geen capaciteitsvraagstuk. Wie hoopt dat de accommodatievraag verdwijnt zodra de clubs samengaan, komt bedrogen uit.
Waar het wel verschil maakt
Op het punt waar vier losse besturen structureel vastlopen: afspraken die het park als geheel raken.
Een verhuurder toelaten op het complex, bijvoorbeeld. Bij Kampong zitten een fysiopraktijk, een organisatie voor sportkampen en een sport-bso op het terrein, en werkt de vereniging aan bredere openstelling voor ongeorganiseerd sporten (Duurzame Sportsector, 2021). Dat soort afspraken vraagt om een partij die kan tekenen, een beheerlaag die de sleutel regelt, en een begroting waarin de opbrengst landt.
Met vier zelfstandige besturen struikelt zoiets bijna altijd over de vraag wie het regelt en bij wie de inkomsten terechtkomen. Niet uit onwil, maar omdat elk bestuur verantwoording aflegt aan de eigen leden over de eigen begroting.
Waar een omnivereniging dus verschil maakt, is niet in vierkante meters maar in de mogelijkheid om iets af te spreken dat het park aangaat. Dat is precies de rol die anders extern belegd moet worden.
Een Sportpark heeft net zo goed een regisseur nodig als een gemeente
Wat er niet mee verandert
Wij komen op sportparken waar de omniverenigingsvorm is gekozen en waar het gebruik van de velden daarna nooit opnieuw is bekeken. De structuur staat, het federatiebestuur vergadert, en de veldverdeling is dezelfde als toen er nog vier huurcontracten lagen. Dat is zelden iemands fout. Een structuurwijziging wordt begeleid door juristen en bestuurders, met de statuten als eindproduct, en op het moment dat die akte passeert is de opdracht formeel afgerond; niemand heeft daarna de opdracht om het gebruiksschema erbij te pakken.
Wij leggen die twee daarom naast elkaar: welke afspraken over gebruik, beheer en verhuur waren er per club, en welke daarvan moeten opnieuw worden gemaakt nu er een partij is. Dat is meestal een kwestie van weken en het bepaalt of de nieuwe structuur ook echt iets oplevert.
Voor gemeenten is de bruikbare vraag dus niet of een omnivereniging een goed idee is, maar wat er precies mee wordt opgelost. Gaat het om een gesprekspartner, dan werkt het. Gaat het om ruimte, dan is het antwoord elders te vinden. Overweeg je dit op een van je sportparken? Wij van Sportgrond zoeken uit welke van de twee er speelt, voordat er een structuur wordt opgetuigd.
Samenwerken zonder te fuseren: wat dat betekent voor het Sportpark
