Vraag in een willekeurige gemeente waar het huurtarief voor een voetbalveld vandaan komt, en het gesprek stokt even. Er volgt een verwijzing naar een besluit van jaren geleden, een indexering die sindsdien jaarlijks is toegepast, en soms een vergelijking met de buurgemeente. Wat er zelden volgt, is een redenering.
Kostendekkendheid ligt lager dan de meesten aannemen
Gemeenten schatten de kostendekkendheid van hun sportaccommodaties gemiddeld tussen de 30 en 50 procent (Mulier Instituut, 2020). Voetbalaccommodaties scoren daarbij naar verhouding het laagst, tennisaccommodaties het hoogst.
Dat verschil is geen ongeluk. Sport geldt als algemeen belang, waardoor een gemeente de kostprijs niet integraal hoeft door te berekenen aan verenigingen. Voor commercieel aanbod ligt dat anders. In 2024 betaalden verenigingen gemiddeld 44,43 euro per uur voor een sporthal, tegenover 105,63 euro voor organisaties met winstoogmerk (Mulier Instituut, 2025). Bij buitensport werkt het per seizoen: verenigingen betaalden in 2022 gemiddeld 3.600 euro voor een natuurgrasveld en 7.068 euro voor kunstgras (Mulier Instituut, 2023).
Een erfenis in plaats van een instrument
Hier zit het punt. Ongeveer de helft van de gemeenten hanteert een historisch gegroeid tarievenstelsel (Mulier Instituut, Monitor lokaal sportbeleid 2020). En het merendeel van de gemeenten streeft geen specifieke mate van kostendekkendheid na (Mulier Instituut, 2020).
Dat betekent dat het tarief bij de meeste sportparken nergens op stuurt. Het is een getal dat is overgeleverd, jaarlijks geindexeerd, en dat inmiddels een eigen leven leidt. Vergelijken met de buurgemeente helpt daarbij niet, want plaatselijke omstandigheden verschillen te veel om zo'n vergelijking betekenis te geven.
Wat een tarief in de praktijk wel stuurt
Een huurtarief is geen inkomstenpost, het is een prijssignaal. Het bepaalt of een vereniging een extra veld aandurft of juist uren inlevert. Of een derde partij overdag kan huren of afhaakt op de prijs. Of medegebruik aantrekkelijk is of vooral gedoe oplevert.
Dat wordt tastbaar zodra je iets wilt veranderen aan het park. Wil je meer gebruik overdag, dan loopt de vraag vroeg of laat vast op wat dat kost en wie dat betaalt. Of neem een gemeente die verenigingen wil aanmoedigen tot samenwerking, terwijl het tarievenstelsel elke club afzonderlijk afrekent op de eigen uren. Dan werkt de prijs tegen het beleid in, zonder dat iemand dat zo bedoeld heeft.
Waar het tarief zijn werk niet doet
Wij komen op sportparken waar het beleid samenwerking en breder gebruik voorschrijft en waar het tarievenstelsel precies het omgekeerde beloont. De club die uren afstaat aan een school levert inkomsten in en houdt de kosten; de club die niets deelt, verandert niets aan haar positie. Dat is zelden iemands fout. Een tarievenstelsel wordt vastgesteld in een andere cyclus dan een sportnota, meestal door een andere afdeling, en er is geen moment waarop iemand die twee naast elkaar legt.
Wij beginnen daarom niet bij het tarief maar bij de vraag wat dit sportpark de komende jaren moet doen: wie gebruikt het, op welke momenten, en wat is dat waard. Pas met dat antwoord wordt een tarief een keuze, en kun je bewust differentieren naar daluren, type gebruiker of maatschappelijke functie.
Dat laatste is bestuurlijk vaak het belangrijkste. Een tariefwijziging zonder verhaal is een lastenverhoging; een tariefwijziging met verhaal is beleid. Staat er bij jullie een tariefherziening op de agenda? Wij van Sportgrond kijken graag mee naar de volgorde, want die bepaalt hoe het gesprek in de raad verloopt.
Een exploitatietekort is niet automatisch een subsidievraagstuk
