Op 8 september 2025 ondertekenden zorg- en welzijnsorganisaties en het ministerie van VWS het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (Rijksoverheid, 2025). Dat akkoord gaat over zorg, niet over sport. Toch staat er iets in dat voor gemeenten met een sportpark direct relevant is, en de deadline ligt dit kwartaal.
Een akkoord over zorg, met een randvoorwaarde die verder reikt
Het AZWA is een aanvulling op het Integraal Zorgakkoord en het Gezond en Actief Leven Akkoord, en maakt tijdelijke impulsen uit die twee akkoorden structureel (Loketgezondleven, 2025). De kern is een sterkere samenwerking tussen het zorgdomein en het sociaal domein, zodat zorgvraag wordt voorkomen of uitgesteld. Onderdeel daarvan is een landelijk dekkend aanbod van basisfunctionaliteiten en een gezonde en sociale basisinfrastructuur (Zorgakkoorden.nl, 2025).
Dat laatste woord is het aanknopingspunt. Een sociale basisinfrastructuur bestaat niet uit beleid, maar uit plekken. Een wijk, een veld, een kantine waar mensen elkaar tegenkomen zonder afspraak. Het medische deel van deze opgave ligt bij huisartsen, wijkteams en GGD-en en blijft daar ook; de fysieke en organisatorische kant ligt elders.
De werkagenda die nu geschreven wordt
Concreet betekent het AZWA dat partijen in elke regio, onder regie van de mandaatgemeente en de preferente zorgverzekeraar, een regionale werkagenda opstellen als aanvulling op het IZA-regioplan. Die moet in het derde kwartaal van 2026 gereed zijn, waarna alle colleges van B&W in de regio hem vaststellen (Sociaal Werk Nederland, 2026). Dat is geen opgave voor over een paar jaar.
En dat maakt een vraag actueel die zelden bij de sportafdeling terechtkomt: welke fysieke plekken in de gemeente kunnen deze preventie- en ontmoetingsdoelen dragen? Een sportpark dat buiten de piekuren stilligt, of waar verenigingen naast elkaar werken in plaats van met elkaar, is dan niet alleen een gemiste kans voor sport. Het is een gemiste kans voor precies het soort wijkgerichte infrastructuur waar dit akkoord om vraagt.
Wat hier over het hoofd wordt gezien
Wij komen op sportparken die in geen enkel regionaal plan voorkomen, terwijl ze fysiek het meest geschikte gebouw in de wijk zijn: verwarmd, bereikbaar, met parkeergelegenheid en een keuken. Bij het opstellen van zo'n werkagenda wordt gekeken naar zorglocaties en buurthuizen, en niet naar het sportpark. Dat is zelden iemands fout. De werkagenda wordt geschreven door het sociaal domein en de zorgverzekeraar, terwijl het sportpark bij vastgoed of bij sport in de boeken staat; er zit domweg niemand aan die tafel die het park kent.
Wij brengen daarom in kaart wat een sportpark op dit punt feitelijk te bieden heeft: welke uren beschikbaar zijn, welke ruimtes geschikt zijn, wie het beheer kan dragen en welke afspraken daarvoor nodig zijn. Voor de inhoud van de zorg- en welzijnsprogramma's schuiven de organisaties aan die dat vak beheersen.
Voor gemeenten die nu aan hun regionale werkagenda werken, is dit het moment om niet alleen naar zorgvoorzieningen te kijken, maar ook naar wat er al staat. Een sportpark dat klaar is voor deze bredere opgave begint niet bij nieuwbouw, maar bij goed kijken naar wat er nu is. Werkt je gemeente aan die werkagenda en vraag je je af waar het sportpark daarin past? Wij van Sportgrond kijken graag mee, zolang de agenda nog te vullen is.
Een Sportpark is meer dan een speelveld: de bredere maatschappelijke opdracht
